Denkend aan Friesland

‘Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan.’ De openingszin uit het gedicht Herinnering aan Holland (1936) van Hendrik Marsman is al geruime tijd méér dan regels poëzie. Het is de cultivering van de Hollandse identiteit via wellicht één van haar belangrijke pijlers: landschap. Er is enerzijds een historische definitie gelegen in deze literaire herinnering, anderzijds creëert deze een kader waarbinnen we ruimtes opnieuw kunnen beleven. En daar hebben we behoefte aan, toch? Toen de Telegraaf een aantal jaren geleden startte met een reeks televisiecommercials ‘Denkend aan Holland’, werd het gedicht van Marsman nieuw leven ingeblazen. De Telegraaf refereerde in de commercials aan alles wat volgens een sentimenteel nostalgisch – haast traumatisch – gemeenschapsgevoel aan de Hollandse identiteit verbonden lijkt te zijn. Op zo’n manier dat alles wat daarbuiten valt direct unheimisch aanvoelt. En dat terwijl koningin Maxima ons er in 2007 op attendeerde dat de Nederlandse identiteit niet bestaat en de Nederlander dus evenmin. We zouden een land zijn waarbinnen diversity within unity de leidraad is. En dat komt akelig dicht bij de realiteit. Nederland is al lang niet meer enkel het thuis van ‘ons’. Het is ook het thuis van ‘hem’ en van ‘haar’ geworden. Verlangen naar het behoud van stabiliteit lijkt nu minstens zo belangrijk als het construeren van een gezamenlijke identiteit. Beide lijken evenwel hand in hand te gaan. Dit leidt tot een monoculturele habitus, ofwel een mindset waarbij de afbakening tussen ‘wij’ en ‘zij’ wordt versterkt en waarbij de nadruk ligt op een minderhedenbeleid.  Het onderscheid tussen lokale minderheden en etnische minderheden is daarbij cruciaal. Bij de eerste groep vallen etniciteit en nationaliteit gewoonlijk samen en bij de tweede groep niet. Een mogelijke angst voor het vreemde en onbekende ten aanzien van de etnische minderheid resulteert in een politiek integratiebeleid dat binnen Europa vooral lijkt neer te komen op eenzijdige in plaats van  tweezijdige aanpassing. Het is belangrijk te beseffen dat dit beleid ten aanzien van de lokale minderheidsgroepen aanzienlijk verschilt. Het duidelijkste voorbeeld binnen Nederland is het Fries. Het Fries is in Nederland een officieel erkende taal. Het Fries krijgt institutionele steun, het Fries is ingevoerd in het onderwijs, het Fries is opgenomen in een ratificatie rondom diversiteitsbevordering, het Fries heeft een plekje in de Nederlandse grondwet, het Fries heeft een eigen taalwet en het Fries krijgt informele steun van regionale radio en televisie. Voor een stereotype minderheid krijgt en heeft het Fries dus ‘best wel veel’. Dit lijkt voort te komen uit een stukje historie waarin Friesland haar afzonderlijke positie binnen Nederland heeft weten te claimen. Op woensdag 25 november 2015 gaf Goffe Jensma, hoogleraar Friese taal- en letterkunde van de Rijksuniversiteit Groningen, een gastcollege rondom deze Friese identiteitsproblematiek. ‘Problematiek?’ zou je zeggen na bovenstaande opsomming, maar inderdaad problematiek, want ook de Friezen worstelen binnen de eigen grenzen met hun identiteit. Volgens Jensma laat het begrip identiteit zich het beste omschrijven als het geheel aan kenmerken dat een persoon of collectief uniek maakt in een bepaalde context en in bepaalde relaties. Identiteit is dus relationeel van aard en ontwikkelt zich diachronisch. Zo verschilde het vroegere Friesland, dat met haar terpencultuur in de middeleeuwen het dichtstbevolkte gebied van Europa was, aanzienlijk van het Friesland nu. Het hedendaagse Friesland wordt niet meer in Europese context geplaatst; het wordt in context met Nederland slechts getypeerd als een provincie met een eigen Friese vlag. Van de 16e tot de 19e eeuw groeide Friesland uit van een soeverein gewest binnen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tot een Provincie in het Koninkrijk der Nederlanden. Het cultureel nationalisme dat destijds de kop op stak was een Europees verschijnsel. De tegenstelling tussen Holland en Friesland werd steeds sterker. De eens verstedelijkte economie veranderde in een plattelandssamenleving. De aanwezigheid van een historisch archief – terpen en vondsten – gaven de Friezen het idee iets ‘eigens’ in handen te hebben. Dat was wat ze uit wilden dragen: een eigen Friese identiteit. De stad Hindeloopen, De Hindelooper Kamer  en een ‘nationaal kostuum’ werden symbolisch. Uitdraging van de Friese geschiedenis ging gepaard met afbakening via taal. Toch heeft het vroegere eentalige streven nu plaatsgemaakt voor een meertalige gedachte: de huidige Fries spreekt niet meer alleen Fries, maar is op z’n minst tweetalig. Taal is een kernwaarde gebleven, maar er zijn verschuivingen. Het feit dat het Fries op school wordt onderwezen, is geen garantie voor taalbehoud. Het Nederlands, dat ook in Friesland het onderwijssysteem domineert, wordt opgedrongen; het Fries moet zelf worden opgezocht. Het Nederlands heeft als dominante voertaal meer status. Bovendien lijkt de vitaliteit van het Fries af te nemen onder invloed van modernisering en door de terreinwinst die geboekt wordt door wereldtalen. Een digitaal ‘zijn’ van de Friese taal – zoals sinds kort wordt gepoogd met het inrichten van een Friese Google Translate – lijkt daarom een onontbeerlijke overlevingsstrategie. Volgens Jensma zijn echter niet geschiedenis en taal de sleutel tot het vormen van een hedendaagse Friese identiteit, maar vervult het landschap deze rol. Binnen de huidige Fries-Nederlands-Europees-globale context zijn mobiliteit en toerisme common geworden. Overal in Europa verandert identiteit door de blik van de toerist. Zelfrepresentatie transformeert naar een toeristische attractie. Wanneer het om commodificatie gaat, mag het duidelijk zijn dat de rol van taal gering is. Je leert een toerist geen Fries, maar je laat een toerist zich even Fries voelen. Volgens Jensma is ‘jezelf Fries voelen’ niet met één eenduidige, traditionele Friese identiteit te verbinden. Sentimentele gevoelens van nostalgie – de Friese cultuur onaangetast in een vitrine – moeten plaatsmaken voor een reflectief soort nostalgie, waarbij men leeft met cultuurverlies, waarbij men het verleden benoemt in tekst en beeld, waarbij men debatten faciliteert en kunst en literatuur aanmoedigt tot engagement. Binnen een nieuwe context moet een nieuwe identiteit zich geleidelijk vormen. Net als Rome is Friesland niet in één dag gebouwd. Net als het Friese landschap is ook de Friese identiteit aan verandering onderhevig. En net als de Friese identiteit is de Hollandse identiteit vandaag de dag niet meer binnen één commercial te vatten.

Bovenstaande blog is geschreven naar aanleiding van het gastcollege van Goffe Jensma op 25 november 2015 aan de Universiteit van Utrecht en is ook te vinden op de weblog van de opleiding Nederlandse Taal en Cultuur. http://blog.hum.uu.nl/nederlands/ 

Nog geen reacties.

Geef een reactie